Het was een mooie avond en een aangename temperatuur tijdens de zomeravondlezing Eeuwige rust in archeologisch perspectief” op 17 augustus gehouden.

Hieronder het verslag van de lezing, gehouden in de tuin met zicht op en naast de Oude Algemene Begraafplaats aan de Traaij.

Conservator Bert Huiskes gaf het publiek een eerste idee van de enorme variatiebreedte die de materiële sporen van het dodenbestel vertonen en vertelde over de lijkbezorging in de pre- en vroege historie in Europa en daarbuiten.

Na het beschrijven van de algemene begrippen prehistorie (een periode uit de geschiedenis, gekenmerkt door het ontbreken van schriftelijke bronnen) en archeologie (een methode uit de wetenschap met als doel een beeld te reconstrueren van de samenleving door onderzoek van materiële bronnen, zoals voorwerpen en sporen) liet Bert ons aan de hand van foto’s zien hoe moeilijk het kan zijn om via een reconstructie een juist beeld te geven van, in dit geval, het vroegere dodenbestel van de indianen aan de Missouri rond 1850.

Hieronder de foto’s, waarbij de doden in een doodskleed op een bovengronds platform zijn gelegd en overgeleverd aan de elementen. Het lichaam, doodskleed en de houten palen met platform zullen in de loop van de tijd opgaan in de kringloop van de natuur terwijl de skeletresten na verloop van tijd verspreid raken. Slechts zes verkleuringen in de aarde en wat botresten zullen uiteindelijk overblijven ter interpretatie.

11

 

2

De levenswijze van de mens heeft in de pré- en vroege historie grote invloed gehad op het dodenbestel. Door de nomadische leefwijze die wordt gekenmerkt door jagen, vissen en het verzamelen van voedsel hadden Neanderthalers en later de moderne mens (homo sapiens)geen vaste verblijfplaats met als gevolg dat de doden op diverse plaatsen in eenvoudige, vaak individuele graven werden begraven.

Uit de tijd van de Neanderthalers (midden paleolithicum 250.000 tot 30.000 jaar geleden) zijn buiten Nederland diverse grafvondsten gedaan zoals in de grot van Shanidar in Irak (70.000 jaar geleden). Nederlandse vindplaatsen uit die periode zoals de groeven Belvedère (250.000) en Kwintelooijen (180.000) leverden geen begravingen op.

Van de moderne mens zijn in het laat paleolithicum (Sungir in Moskou 30.000, Dolní Věstonice in Moravië 30.000 jaar geleden) en mesolithicum (Rotterdam 9000, Ofnet in Beieren 7200, Swifterband in Flevoland 7000 en Téviec in Bretagne 6200 jaar geleden)grafvondsten gedaan.

Later vestigde de mens zich in vaste nederzettingen en leefde van akkerbouw en veeteelt.

Deze sedentaire leefwijze had grote invloed op de wijze waarop met de doden werd omgegaan. De voorheen eenvoudige graven werden groter en monumentaler, zoals hunebedden, grafheuvels (2900 – 0 vC), familiegrafheuvels (midden bronstijd 1700 – 1200 vC), 

urnenvelden (late bronstijd – vroege ijzertijd 1200 – 600 vC),
vorstengraven (vroege ijzertijd 800 – 400 vC),
brandheuvels (midden/late ijzertijd 500 – 0 vC),
brandgruben (inheems romeins 0 – 200/300)
en in de vroege middeleeuwen rijengrafvelden (inheems romeins / merovingisch 300 - 751).

Verspreid in Ierland, Engeland, Midden- en oost Europa, Korea en Japan zijn grafheuvels gevonden. Ook komen ze veel voor in Nederland.

Hieronder een kaartje met de verspreiding van het gehele assortiment aan grafheuvels in Nederland in de tijdsperiode 2900-0 vC, waarbij opvalt dat er een grote concentratie op de veluwe en de utrechtse heuvelrug is.

3

In de loop van de tijd bestond er een grote variëteit in uiterlijk, randstructuur en grootte van de grafheuvels, positie en houding van de dode(n), het gebruik van de verschillende typen/vormen aardewerk waarin de asresten werden bewaard en grafgiften.

Hieronder een aantal foto’s met enkele variëteiten.

4

2

 

Variatie in grafheuvels in de diverse landen:
Zuid-Korea, Roemenië en Duitsland

 

variatie in positie en houding van de dode

10

 

9

Variatie in aardewerktypologie

12

 

Een grote variatie in inventaris

11

Ook enkelgraf (links) en klokbekers (rechts)

1314

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Later, in de midden-bronstijd werd gebruik gemaakt van boomkisten die bijgezet werden in familiegrafheuvels, in de late bronstijd werden urnen bijgezet in urnenvelden welke ook op de Utrechtse Heuvelrug te vinden zijn.

 In de eerste eeuwen van de ijzertijd (800-400 vC) werd het mogelijk behalve bronzen ook ijzeren voorwerpen te maken. Uit die tijd zijn diverse vorstengraven (Oss en de Koerheuvel bij Rhenen) gevonden met indrukwekkende grafgiften.

Na deze reis door de pré- en vroege historie waarin grafheuvels, boomkisten en vorstengraven zijn besproken is het even moeilijk om weer terug te keren naar de Oude Algemene Begraafplaats (1860-1971) met zijn eenvoudige grafzerken en oude grafsymboliek.

Hieronder een foto van het hekwerk van het poortgebouw met daarin een Ourobouros, (een staartbijtende slang als symbool voor de eeuwigheid), een gevleugelde zandloper met de vleugels van een duif (de tijd vliegt), gekruiste zeisen (attributen Magere Hein) en brandende toortsen als symbool voor de wederopstanding.

15

Ik wil Bert Huiskes bedanken voor zijn inbreng en het feit dat ik gebruik heb mogen maken van al zijn presentatiemateriaal en adviezen.

Bronnen:
1. Zomeravondlezing, gehouden door Bert Huiskes op 17 augustus 2011.
2. Alle illustratiemateriaal is gevonden op een veelheid aan websites.